De hele koers ben ik bedacht op een valpartij. Het is koud en nat, angstvallig hou ik mijn vingers aan de remmen. Na vijf ronden ontsnapt een kopgroep, maar ik zit te ver achterin het peloton om mee te kunnen. De meeste renners vinden het wel goed, het tempo gaat wat naar beneden.
Nu wordt het echt koud, zonder de inspanning is het snel afkoelen. Twee renners zetten de achtervolging in en ik rij naar voren, mee, alles om warm te rijden. Een halve ronde verder neem ik de kop, snij de bocht aan.
Het vallen gaat snel. Ben verwonderend hoe makkelijk ik meters schuivend over het asfalt ga. Het lijkt wel ijs. Maar ik ben geen schaatser, tot een seconde geleden was ik nog wielrenner. Een seconde geleden, toen ik nog op mijn fiets zat.
Ik kom tot stilstand tegen de stoeprand en zie een meter van mijn hoofd dunne racebandjes voorbij glijden. Ik krabbel op en zie twee EHBO’ers op mij afrennen.
Op mijn linker heup zit een witte vlek, zichtbaar onder de weggeschuurde broek. Kleine rode speldenkopjes wellen op. Ik duw mijn shifter recht en stap op. Richting de jurywagen, ronde vergoeding vragen, door rijden.
Rillend zit ik op de fiets, koud tot op het bot na een minuut niet fietsen. Dan komt ook de pijn van de schaafwonden. Snel maak ik een afweging en neem een besluit. Ik stap af. De eerste DNF van het jaar, in mijn eerste nationale amateur koers.
Achteraf is de conclusie makkelijk, de theorie is bekend. Je stuurt, versnelt of remt in de regen. Altijd een van de drie, nooit twee tegelijk. Op kop, met de koplopers nog net in zicht voerde ik het tempo op. In de bocht. Sturen en versnellen, dat was teveel voor de grip van mijn banden. Met een paar mooie schaafplekken tot gevolg.




